Uitleg van het Zwaluwluciferdoosje


Om met de uitleg te beginnen realiseerde ik me op een gegeven moment dat de verchroomde fluitketel een lichtbron is. Door het licht dat er vanaf komt en mijn netvlies bereikt zie ik de ketel. Mijn hersenen produceren het beeld van de ketel op basis van dit licht. Mijn ogen zelf kunnen niet diep kijken, mijn netvlies is daar niet toe in staat. Ook met twee ogen is het nog zo dat de hersenen een ruimtelijk beeld vormen in de perceptie. Ik zeg in de perceptie omdat bijvoorbeeld foto’s, hoe vlak ze ook zijn, ruimtelijkheid bevatten. Ergens moeten de hersenen informatie filteren uit het licht dat op het netvlies terecht komt, en die leidt tot deze ‘ruimtelijkheid’.
Geen eenvoudige zaak als je bedenkt dat het licht op het netvlies constant verandert. Van een absoluut beeld is voor de ogen geen sprake.

Een leuk probleem om met verf en kwast op te lossen! Maar ja, je bent jong!

Het een en ander heeft geleid tot de volgende uiteenzetting.


Een zwart vierkant op een witte achtergrond met daaraan vast een wit vierkant op een zwarte achtergrond, een afbeelding die zo uit de kleurentheorie van Johannes Itten komt. Het laat zien dat de omringende kleur van de vierkantjes bepalend is hoe wij de vierkantjes ervaren. Voor het oog is het zwarte vierkantje zwarter dan de achtergrond van het witte vierkantje en omgekeerd is het witte vierkantje witter dan de achtergrond van het zwarte vierkantje.


Om dit visueel aspect nog duidelijker te laten zien zijn er nu twee grijze vierkantjes afgebeeld, een op zwart en de ander op wit. Het linker vierkantje oogt nu donkerder dat het rechter vierkantje. Het laat zien dat het oog geen absoluut meetinstrument is dat kan bepalen dat beide vierkantjes gelijk zijn.


Een zwart vlak met daarop een Zwaluw luciferdoosje. Is er ruimte of is het doosje op het zwarte vlak geplakt? Er is in ieder geval verschil in het detail boven en deze afbeelding. In het detail boven zweeft het doosje echt in de zwarte ruimte en niet ervoor. Het is ver weg. Anders gezegd ervaar je een ruimte tussen dat doosje en jezelf.


In de tijd dat ik me met het oplossen van mijn probleem bezighield waren er geen personal computers, dus onderzocht ik dingen in aquarel. Het was een geduldig werkje maar zorgde er wel voor dat ik nu heel gecontroleerd met deze techniek kan schilderen. Het aquarel boven heeft zo’n 30 lagen waarbij alles gecontroleerd vloeide.
Later heb ik op de computer dit aquarel digitaal herschapen. De logica erachter is echter precies hetzelfde gebleven.

Waarom is dit aquarel nu gemaakt? Het antwoord brengt ons terug naar de uitleg.
De ruimte die je ervaart tussen het doosje en jou als toeschouwer moet op een of andere manier ‘zichtbaar’ worden gemaakt. Wat eerder al is aangegeven; het doosje wordt zichtbaar door het licht ervan dat in je ogen valt. De achterkant van het doosje is niet te zien want licht van die kant gaat in een andere richtingen.
Wat ik me realiseerde was dat enige vorm van atmosfeer de baan van het licht beïnvloedt. Kijk je op een zonnige dag naar de zon dan is de zon geen lichtbron met daaromheen zwart. Neen, er is een blauwe lucht en de zon straalt. Niet alle licht van de zon gaat linea recta richting het netvlies. Er is ook licht dat een langere weg aflegt en door het oog ‘gezien’ te worden.
Dat gegeven bracht mij bij de halo, een soort van lichtkrans om een lichtbron heen. In de halo is lichtbreking te zien die zorgt voor kleurovergangen. Het aquarel hierboven geeft de lichtbreking weer, weliswaar heel  licht maar de kleurovergangen zijn duidelijk zichtbaar.
Om deze kleurovergangen te bewerkstelligen heb ik de volgende kleurmengingen toegepast. Deze mengingen hebben een simpele opbouw die makkelijk herleidbaar is naar de kleurencirkel.

Stap 1. Van wit is er een verloop naar blauw.
Stap 2. Van blauw is er een verloop naar groen.
Omdat het wit vanuit het centrum afneemt wordt aan groen ook de complementaire kleur van blauw=oranje toegevoegd. Groen gemengd met oranje geeft een gedempte kleur geel.
Stap 3. Van groen is er een verloop naar geel.
Omdat het wit vanuit het centrum afneemt wordt aan geel ook de complementaire kleur van groen=rood  toegevoegd. Geel gemengd met rood geeft oranje.
Stap 4. Van geel is er een verloop naar oranje.
Omdat het wit vanuit het centrum afneemt wordt aan oranje ook de complementaire kleur van geel=paars toegevoegd. Oranje gemengd met paars geeft een gedempte kleur rood.
Stap 3. Van oranje is er een verloop naar rood.
Omdat het wit vanuit het centrum afneemt wordt aan rood ook de complementaire kleur van oranje=blauw toegevoegd. Rood gemengd met blauw geeft paars.


Het verloop van de mengingen is hier schematisch in beeld gebracht, met daarboven de mengkleuren.


Wanneer deze mengingen in een cirkelvorm worden toegepast waarbij de overgangen vloeiend zijn, dan ontstaat er een halo. Er gaat voor het oog licht schijnen.
Op momenten dat er ‘s nachts een heldere maan zichtbaar is en er veel vocht in de atmosfeer zit dan vormt zich om de maan ook een halo.


De halo van de maan is dan gedempt van kleur maar de kleurovergangen zijn duidelijk zichtbaar.


Plaats de maan in het midden van de halo en de maan staat aan de hemel. Of is het in de hemel.

Om het luciferdoosje op het schilderij ‘in’ de zwarte ruimte te krijgen is er heel vaag een halo omheen geschilderd. Zo vaag dat het contrast tussen het doosje en de achtergrond deze grotendeels verhult. De directe omgeving van het doosje is dus helemaal niet pikzwart!!!